Informatie

Al gebeurt het steeds vaker omdat ‘human interest’ een grote populariteit geniet, het blijft riskant om het werk van een kunstenaar direct te relateren aan zijn of haar biografie. Schaamteloos hineininterpretieren kan het gevolg zijn. Daarnaast stimuleert het de neiging tot amateuristisch psychologiseren. Het gladde ijs van beide activiteiten probeer ik zoveel mogelijk te vermijden. Toch ontkom ik er niet aan om bij het werk van Klasiena Soepboer  Schiermonnikoog, haar leefomgeving, te betrekken bij mijn analyse.

Klasiena Soepboer is geboren en opgegroeid op Schiermonnikoog. Een klein Waddeneiland met ongeveer 1000 inwoners, meer dan 300.000 toeristen, 200 auto’s, veel groen en enorme stranden. De natuur is prachtig en grotendeels authentiek. Bijna het hele dorp is werkzaam in de toeristenindustrie. Iedereen kent iedereen. Tegelijkertijd is het mogelijk om aan die sociale druk te ontsnappen en als eenling op te gaan in de natuur. Wandelen, rennen, fietsen, strandjutten, het is allemaal mogelijk zonder een sterveling te zien. Klasiena Soepboer weet dat als weinig anderen. Ze zoekt dat gevoel van vrijheid regelmatig op. Omdat die activiteiten vaak gepaard gaan met geïsoleerde bezigheden als denken, overdenken, reflecteren of fantaseren ontstaat op die tochten de onderbouwing van haar kunstenaarschap. Ze ziet en ondervindt niet alleen de schoonheid van de natuur, maar ze beseft tevens dat veel mensen daar geen oog meer voor hebben. De afstand tot de natuurlijke omgeving wordt steeds groter naarmate de verslaving aan de elektronica groeit. Elektronicagiganten mogen de natuur nog in hun logo hanteren, hun ‘gadgets’ drijven hun gebruikers steeds verder af van de natuur. Daar komt bij, dat het groeiende toerisme van de natuur steeds meer een speeltuin maakt, een omgeving die er is om gebruikt en misbruikt te worden en die steeds minder nog associaties lijkt op te roepen met haar natuurlijke oorsprong.

Klasiena Soepboer besluit bij haar start als kunstenaar van de natuur het thema van haar werk te maken. Ze wil dat de kijker weer oog krijgt voor het bijzondere ervan, dat hij haar niet beschouwt als een gegeven maar als een onmisbaar, rijk bezit. Gezien de omgeving waar ze zelf vandaan komt is het niet vreemd dat ze ervoor kiest ruimtelijk werk te gaan maken. Natuur is voor haar haast synoniem aan ruimte. Als een geboren jutter gaat ze uit van bestaand materiaal. Dat zijn in de eerste plaats de langwerpige schelpen die bij duizenden te vinden zijn op het strand, maar ook aangespoelde stukken hout en restanten van vissersnetten. Voor de grondvormen gebruikt ze oude auto- of zwembanden en bijvoorbeeld bestaande aluminium kokers.

Op Academie Minerva in Groningen studeert ze af met grote organische sculpturen die uit de grond lijken te komen. Alsof ze door het strand naar de oppervlakte zijn gedrukt. Door de weldadigheid van hun vormen en door hun esthetische huid van schelpen hebben ze een hoge graad van aaibaarheid, haast levende wezens in ruste. Dat is echter schijn, want de schelpen zijn scherp. Ze trekken eerst aan en stoten vervolgens af. Die eigenschap maakt dat de sculpturen een innerlijke spanning hebben. Juist die eigenschap triggert de fantasie van de kijker. Ze zetten aan tot verhalen. Door de werken geen titel te geven, laat de kunstenaar de inhoud van de verhalen geheel over aan de creatieve beschouwer.

Met dit werk wint ze in 2012 het Coba de Groot Stipendium. Ze besluit haar opleiding aan de Rietveld Academie in Amsterdam voort te zetten. Ver van het eiland waarop ze het grootste gedeelte van haar leven heeft doorgebracht. Ze kiest daar voor de keramische afdeling. De schelpen worden nu vergezeld van een andere natuurlijke grondstof: klei. De sculpturen blijven ruimtelijk, maar ze worden verhalender. Ze raken de biografie van de kunstenaar nog dichter. De thematiek verschuift. Na een aantal klassieke dierenfiguren dat het dierlijke in de mensen probeert te verbeelden – ze geeft ze ‘Survival of the Fittest’ als titel en beschouwt ze als overgangswerken – doet in 2013 de menselijke figuur haar intrede in haar werk. Met name de vrouwenfiguur. Daarbij refereert ze aan Aphrodite, de godin van de schoonheid, van het verlangen en van de liefde. De godin die volgens de klassieke overlevering is voortgekomen uit schuim van de zee, schuim dat op zijn beurt zijn oorsprong vond in de  genitalien van Uranus, door Kronos afgesneden en in de zee gegooid. Door lang te experimenteren met het materiaal slaagt ze erin de vrouwen een levendige, gekrakeleerde, hier en daar transparante, zuinig gekleurde huid te geven. Ze missen de gladheid van de klassieke voorbeelden. Het lichaam wordt omgeven door een soort bed van schelpen. Op het eerste gezicht lijken de sculpturen toch pure schoonheid te verbeelden. Bij nader inzien blijken de lichamen gemutileerd. Dat maakt ze enigszins angstaanjagend. De schoonheid is bedreigd of zelfs aangevallen.

Klasiena Soepboer zegt dat deze werken zijn voortgekomen uit haar ervaringen in het maatschappelijk verkeer, op Schier maar in versterkte mate op het vasteland waar ze haar middelbare school en haar vervolgopleiding moest volgen. Kan ze in de natuur grotendeels zichzelf zijn en haar vrijheid vieren – daar zijn immers geen regels, alleen ruimte, waardoor de ‘oermens’ nog bestaansrecht heeft – in het maatschappelijk verkeer moet ze voldoen aan de wetten van de peer group, gevoed door de wetten van de massamedia. Die bepalen hoe ze eruit moet zien, aan welke mode- en trendeisen ze moet voldoen, wat voor mooi doorgaat en wat niet, dus wanneer ze erbij hoort en wanneer niet. In die situatie wordt ze zich bewust van haar lichaam, omdat dat als graadmeter gaat tellen. Ben je anders dan val je er buiten, word je genegeerd. Een eigentijdse variant op het survival-of-the-fittest-principe. Het voelt als een aanval op haar persoonlijkheid, een mutilatie van haar ik. Natuurlijk moet plaats maken voor aangeleerd en kunstmatig. Daarom doet ze het symbool van de vrouwelijke schoonheid, Aphrodite, in haar werk geweld aan. Tegelijkertijd tilt ze, door dat klassieke voorbeeld te kiezen, haar persoonlijke thematiek naar een universeel niveau.

Door deze werken vervolgens te presenteren als installatie, dus te omgeven met haar organische sculpturen, maakt ze van de ruimte een spanningsveld dat de kijker kan betreden en waarbinnen hij of zij kan ervaren wat ze zelf heeft ervaren. Een andere manier om het persoonlijke te veralgemeniseren.

Het vrouwelijk lichaam is een klassiek thema in de kunstgeschiedenis. De kwetsbaarheid ervan wordt in de 20ste en 21ste eeuw geactualiseerd door kunstenaars als Kiki Smith (1954) en bijvoorbeeld Berlinde De Bruyckere (1964), die op hun beurt weer beïnvloed zijn door Eva Hesse (1936-1970) en Louise Bourgeois (1911-2010). De Bruyckere verbeeldt de pijn en het lijden zonder een directe aanleiding te suggereren, bij Smith was de kwetsbaarheid aanvankelijk gerelateerd aan de aids- en de drugcrisis in de jaren tachtig. Later werd ze meer gekoppeld aan publieke kwetsbaarheid: vrouwen worden op een bepaalde manier gerepresenteerd en worden geacht naar die representatie te leven en te zijn. In die lijn past het nieuwe werk van Klasiena Soepboer. Net als Hesse, Smith en haar Vlaamse collega probeert ze die kwetsbaarheid in het materiaal dat ze gebruikt zichtbaar en voelbaar te maken. Gebruiken die drie vooral  transparante (kunst)stoffen als latex, was en hars, bij Klasiena Soepboer zijn dat schelpen en gebakken klei. Ook in het onaffe en daarmee het suggestieve zijn ze elkaars zielsverwanten. Alle vier laten ze zoveel open, dat de kijker de mogelijkheid wordt geboden om er haar eigen verhaal in te herkennen.

Het is vrijwel onmogelijk om te voorspellen hoe het werk van Klasiena Soepboer zich gaat ontwikkelen. Daarvoor staat haar carrière nog teveel aan het begin. Het zou me echter niet verbazen als de huidige kwetsbaarheid groeit naar meer zelfvertrouwen en zekerheid. In dat geval komt ze terecht bij vrouwen als Louise Bourgeois, de latere Kiki Smith, Tracey Emin (1963) en Cecily Brown (1969), kunstenaars die in hun werk het vrouwelijk lichaam als een krachtbron inzetten (of hebben gezet). Kunstenaars die niet vanaf hun eiland waarnemen, maar die zich, bewust van hun kracht – ook hun seksuele kracht – mengen in het gewoel van vooroordelen en representatiedwang.

Dan heeft Klasiena Soepboer Schiermonnikoog op afstand gezet.

 

Rob Perree

New York, augustus 2013.